Mechelen: vrijdag, 09 oktober 2026

Bij de Mechelse pompiers

1822 - 2014

Blusapparatuur

In 1822 spreekt het Brandreglement van 5 grote spuiten, de eerste drie werden bediend door tien spuitgasten onder leiding van 2 vaste bestierders, de laatste twee door twee spuitgasten en twee bestierders. Verder was er een niet gespecifieerd aantal kleine spuiten aanwezig.

Uit een openbare aanbesteding blijkt dat het materiaal van de brandweer in 1808 bestond uit een set van 2 stuks, nl een brandspuit op een wagen met bijhorende kuip. Verder de nodige brandslangen, emmers, ladders enz...

li

Koperen pompen

1870
Pompwagen anno 1870

Op 6 oktober 1808 wordt ingevolge een openbare aanbesteding door burgemeester Jean Joseph Vermylen-Neeffs (1770-1836), het onderhoud van de blusapparatuur toegewezen aan Pierre Seresia, lood-en tingieter voor de som van 2.000 Bf.

Dit materiaal bestond toen uit:

  • 6 koperen pompen elk op een wagen gemonteerd
  • 6 kuipen toebehorend aan de pompen en elk eveneens op een wagen geplaatst
  • 200 brandemmers die op diverse plaatsen in de stad gestapeld werden

Al deze tuigen moesten geregeld geschilderd worden met 2 lagen olieverf voor zover ze in hout zijn, ook de emmers. Maandelijks werd het materiaal geïnspecteerd, de koperen of ijzeren voorwerpen werden met olie ingesmeerd, de houten met potlood.

De lederen brandslangen werden met walvisvet ingesmeerd om soepel te blijven. De ondernemer moest tevens een salaris uitbetalen van 150 Bf. aan de directeur-dienst-brandpompen en aan zes spuitgasten elk 75 Bf. Bovendien moest hij ten allen tijde beschikbaar zijn.


Het brandweermateriaal van de stad

portaladder
Portaladder werd gebruikt rond de periode 1900

Brandhaken werden nog steeds zoals vroeger gebruikt om muren of daken neer te halen. Tonnen en kuipen werden bij de brouwers gehaald en vervoerd door hoveniers, werklieden en mestrapers met paarden en karren.

Een inventaris opgemaakt in 1859 geeft ons een vrij volledig beeld van het brandweermateriaal in die tijd.

  • een grote pomp met koperen brandspuit en slangen van leder met koperen verbindingsstukken gemonteerd op een wagen met vier wielen en twee kisten waarin alle slangen en andere gereedschap opgeborgen worden.
  • een dekzeil om daken en hooioppers te beschermen en een brandhaak, spaden, houwelen, etc.
  • voor elk van deze pompen een karretje met een waterton die gevuld wordt met een kuip van 35 emmers.
  • 2 brandladders die op deze karretjes gebonden worden en aan de manden en kuipen vastgemaakt.
  • nog 2 gelijkaardige pompen met gelijk toebehoren van het oude type.
  • een kleinere minder krachtige pomp op een wagen.
  • drie kleine draagbare pompen voor de schoorsteenbranden met koperen lansen en lederen slangen.
  • een ladder van 8,5 m en 10 kleinere ladders van 4 tot 6 meter.
  • een reserve koperen spuit en brandhaken om muren om te trekken en 2 trechters.
  • 198 lederen brandemmers.
  • nog divers materiaal bij de kordewagenaars; 9 tonnen, 1 trechter en 12 emmers.
  • in het stadhuis stond nog een pomp die voor de watertoevoer diende

1885 In de gemeenteraad wordt een krediet van 450 Bf. gestemd voor de inrichting van een apart lokaal voor de brandspuit van het korps van Nekkerspoel. Twee jaar eerder had men voor 1.535 Bf. een gelijkaardig lokaal bij de Stadshallen (stadhuis) ingericht.

1886 De stad koopt bij de Mechelse handelaar Kestemont een stoomspuit aan. Het is niet bekend van welk atelier deze machine afkomstig was, maar er bestaat een grote kans dat zij uit de werkplaatsen van J.Beduwe te Luik kwam, de grote specialist in die tijd. Enkele jaren later gaat men over tot de vernieuwing van het bijhorend materiaal en worden er 500 m brandslangen en de nodige koperen raccords aangeschaft.

1893 Er wordt een ingewikkeld systeem van elektrische alarmbellen aangelegd dat de brandweerlieden verbindt met het politiebureau, zodat zij snel kunnen gewaarschuwd worden.

Zodoende zijn we dan aangeland bij de periode van het Gewapend korps van Vrijwillige Pompiers in 1895. Daar er een goede organisatie en een even efficiënte bediening van het materiaal mag verwacht worden, worden de laatste resten van artisanale brandbestrijding zoals uit de tijd van het Ancien Regime opgeruimd. De kordewagenaars die ondanks de afschaffing der ambachten in de Franse tijd, blijven verder bestaan, hun traditionele functie van waterdragers bij brand blijven ze vervullen, ze worden nu verzocht hun materiaal in te leveren, nl 4 vaten, 10 brandemmers en 2 trechters.

1898 De pompiers krijgen een gloednieuwe stoombrandspuit uit het atelier Jos.Beduwe et Fils te Luik en 500 m nieuwe brandslangen (diameter 70 mm) geleverd. Deze brandslangen waren al geruime tijd uit linnen vervaardigd in plaats van uit leder zoals vroeger. Vervolgens duurde het een hele tijd vooraleer nieuw materiaal werd aangekocht.

1911 Intussen is de uitrusting der brandweerlieden, in functie van hun gewapend karakter uitgebreid. Er worden 96 geweren en een onbepaald aantal sabels geleverd vanuit het Centraal Arsenaal der Vesting te Antwerpen.

Na de Eerste Wereldoorlog werd een autopomp aangekocht, wanneer is niet bekend. Feit is dat ze in 1932 moest hersteld worden.

1939 De brandslangen en raccords worden vervangen en er wordt een draagbare motorpomp aangeschaft.

bt

Begroting

In 1938 liep de gewone begroting op tot 67.000 Bf. Er waren hulpovereenkomsten afgesloten met de volgende randgemeenten: Hever, Hombeek, Leest, Bonheiden, rijmenam, O.L.Vrouw-Waver en Walem.

Deze gemeenten betaalden daarvoor gezamelijk 4.500 Bf. per jaar. Bovendien kon de hulp gevraagd worden van het pompierskorps van het Arsenaal en dat van de Stedelijke Maatschappij: De Vrije Woonst.

Copyright - 2026 - Designed by DiLuc - Hosting Combell