Mechelen: woensdag, 24 juni 2026

Bij de Mechelse pompiers

1822 - 2014

Brandmeesters

Het Mechels brandweerkorps heeft een lange geschiedenis achter de rug. In 1807 waren er reeds mensen aangesteld om een brand te bestrijden. Deze werden geworven onder de meesters-ambachtslieden die voor de stad werkten en waren allen vrijwilligers.

Het brandalarm werd gegeven door de torenwachter die vanop de Sint Romboutstoren de alarmklok moest luiden en de richting van de brand aanduidde met een rode vlag bij dag en een lantaarn bij nacht.

In een tussenstadium worden brandmeesters aangesteld en pas in de 19e eeuw kan van een brandweerkorps worden gesproken, dit bestond uit enkele brandweerlieden vast in dienst en een vastgelegd aantal vrijwilligers. Geüniformeerd was het al in 1822, elk lid droeg een lederen muts met het nummer van de brandspuit erop, een gordelriem en een vest.

li

Brandspuiten

Het eerste uitgebreid reglement betreffende maatregelen ingeval van brand, dateert van 23 januari 1687. Er werd door de stad een brandmeester aangesteld die onmiddellijk ter plaatse moest komen. Zijn taak bestond erin de leiding te nemen bij de blussingswerken die door de vrijwilligers werden uitgevoerd.

handp
Brandspuit met twee cilinders die om beurt het water in de centraal geplaatste luchtkolf stuwen. De lucht daarin wordt hierdoor samengeperst waardoor men voldoende druk op het water kreeg om te kunnen spuiten.

Op 7 september 1790 is er sprake van de eerste brandspuiten in de stad Mechelen. Door ene Charles Wouter Geerts werden deze hulpmiddelen voor het bestrijden van het vuur publiek kenbaar gemaakt.

In de stadshalle naast den amigo (het huidige stadhuis), staan drie grote brandspuiten met vier koperen stralen, vijf lederen darmen en vier kuipen met een mand, drie houten trefters om het water in de tonnen te gieten en negendertig lederen emmers geplaatst.

Naast de diviesiestal op de Grote Markt staan er twee handspuiten en een kleine trekspuit met drie koperen stralen en een lederen darm in een mand. In de Minderbroedersgang stond er een koperen brandspuit en een kar met daarop twee grote waterkuipen en dertig lederen emmers.

De brandspuiten moeten in 1791 nog door vrijwilligers worden aangevoerd. Men rekende dus op bepaalde ambachten zoals brouwers voor de wateraanvoer, metsers voor het blussen en verder op de mensen uit de omliggende huizen. Wel werden er wachten voorzien (dit waren schuttersgilden) om de orde te handhaven.

Hoe werd er brandalarm gegeven?

Zodra de torenwachter, die steeds op uitkijk stond een brand bemerkte, moest hij aan de 4 hoeken van de toren brand blazen in de richting der 4 kwartieren van de stad. Viel dit overdag voor, dan stak hij ook een rode vlag uit in de richting van de brand.

Tijdens de nacht hing hij een lantaarn uit, dit ook in de richting om de brand aan te wijzen. Ook moest geluid worden in de kerk van de parochie waarin de brand is uitgebroken. De bewoners van het brandend huis moeten op straat luidkeels brand, brand roepen. In de straat van het onheil en de vier omliggende straten moet er ’s nachts bij brand licht uitgehangen worden.

In de hoofdkerk werd de brandklok geluid (hij die bij brand de torenklok liet luiden voor dat de torenwachter geblazen had, kreeg hiervan een premie van 6 gulden, welke door de torenwachter zelf moest betaald worden.

Bij brand stond heel de stad in rep en roer. Riep men brand, brand! dan trad een niet meer te stoppen burgerlijk automatisme in gang. Een soort rampenplan avant la lettre. Iedere burger wist wat hij moest doen.

Als er geen paarden beschikbaar waren, trokken de burgers of werklieden het blusmateriaal zelf ! Hiervoor betaalde men hen gezamenlijk 3 gulden. In de straat waar de brand was uitgebroken en in de 4 aanpalende straten, moesten al de bewoners hun luiken sluiten en bij nacht langs buiten licht laten branden.

Iedereen in de buurt moet volgens bezit; emmers, kuipen, tonnen met water gevuld klaar zetten. Voor het transport van het water moesten de brouwers, de moutslagers, hoveniers, korde-en straatwagenaars met alle vervoersmiddelen naar de plaats van de brand komen.

De huizen hadden geen nummers maar namen

stadh
De westelijke vleugel uit de 14e eeuw bevat een lage belforttoren met een centraal barok dakvenster. De octogonale hoektorentjes dateren uit de 16e eeuw. Rechts bekronen barokke voluten een verlaagde toren. Het opschrift museum geeft de functie van het gebouw tot de Eerste Wereldoorlog aan.

Waar men de dag vandaag een brand met volle vertrouwen overlaat aan de professionele brandweer, lag de situatie toen anders. Iedere burger spande zich in om de vuurhaard snel te blussen.

Bij uitbreiding van de brand liep eenieders huis gevaar en kon de stad in een totale ramp verzeild geraken.

In een middeleeuwse stad hadden de straten wel een naam, maar de huizen geen nummer. Sommige van deze huisnamen gaven dan weer de naam aan de straat of het straatje waar ze zich bevonden.

Schaalstraat, Geitestraat, Blauwehondstraat, Borzestraat, respectievelijk afgeleid van de huisnamen; De Schaal, De Geit, De Blauwen Hond en de Borse.

Een tocht door de Mechelse straten laat zelfs vandaag nog toe vele huisnamen te ontdekken. Op de Grote Markt zien we nog: huis nr.2 In het Haentien uit 1773.

Op de geveltop prijkt nog steeds een verguld haantje. Huis nr.6 In den Boer â La Mode waarvan de naam nog steeds boven de toegangsdeur prijkt.

Huis nr.13 heette in 1559 De Kat, en werd in 1661 herbouwd door apotheker Van Orssaegen en in 1905 grondig gerestaureerd.

De eerste officiële nummering van de huizen dateert van 1797.

Heropbouw

Ook op de Ijzerenleen is een ware schat aan huisnamen en -tekens te ontdekken. De meeste huizen werden tijdens de Eerste Wereldoorlog volledig vernield, ze werden weliswaar in de oude stijl herbouwd.

Copyright - 2026 - Designed by DiLuc - Hosting Combell